Apple’s transitie van PowerPC naar Intel (2005)

De Apple Macintosh in 2005 had een PowerPC microprocessor waarop het Mac OS X 10.4 Tiger draaide. Tijdens de Worldwide Developers Conference in 2005 kondigde Steve Jobs aan dat er een transitie zou gaan plaatsvinden van de Freescale PowerPC processoren naar Intel Pentium microprocessoren. De belangrijkste redenen hiervoor waren snelheid en energieverbruik: de Pentium processoren waren aanzienlijk krachtiger dan de PowerPC processoren bij een lager stroomverbruik. En hoewel bij de aankondiging nog 2 jaar werd genoemd, ging de feitelijke transitie veel sneller en waren in 2007 de meeste Macs met een Intel processor verkrijgbaar.

De transitie van PowerPC had verstrekkende gevolgen. Zo moest Apple het besturingssysteem OS X geschikt maken voor een andere processor, moest nieuwe hardware ontwikkeld worden, moesten de ontwikkelaars voorzien worden van tijdelijke Intelgebaseerde Macs om hun software om te kunnen zetten naar de nieuwe architectuur, moesten de developers voorzien worden van alle tools om dit voor elkaar te krijgen en moest gezorgd worden voor een voorziening dat niet alle bestaande Macs ineens onbruikbaar zouden worden.

Apple had de transitie echter goed voorbereid en had zelf in het grootste geheim al jaren een versie van OS X in gebruik die op Intel was gebaseerd. Developers kregen daarom bijna direct de beschikking over Intel hardware en de tools die nodig waren om hun software om te zetten. Apple had een speciale simulator gemaakt, Rosetta, die PowerPC programma’s liet uitvoeren op een Intel microprocessor. Deze simulator maakte de programmaverwerking van oudere programma’s langzamer, maar door de extra snelheid van de Intel processoren was het netto effect een gelijke verwerking als op de oude PowerPC microprocessoren.

De transitie van PowerPC naar Intel was overigens niet de eerste keer dat Apple een verandering van de CPU architectuur doorvoerde: eerder was al overgegaan van de 68000 processor van Motorola naar de PowerPC van IBM.

Atari Portfolio (1989)

Een 40×8 tekens 240×64 pixel zwart-wit beeldscherm zonder achtergrondverlichting maar met DIP DOS 2.11, grotendeels compatibel met de zojuist uitgebrachte IBM PC. DIP DOS? Jazeker, DIP, voor DIP Research uit Surrey, Engeland. De rol van Atari was rebranding en marketing en de Atari Portfolio haalde het tot in de filmindustrie, als hackertool in Terminator 2: Judgment Day. Een paar honderd uur op drie AA batterijen en met het grootste gemak Turbo Pascal 3 in je tas meenemen. Er was een hoop goeds te zeggen over de Atari Portfolio.

De Atari Portfolio was de eerste palmtop-personal-computer: een IBM PC compatible computer die in de palm van je hand paste. Voor 1989 was dat een knappe prestatie, zeker voor een relatief klein bedrijf uit Surrey. DIP Research verkocht het recht om haar Pocket PC te produceren aan Atari, die er nog datzelfde jaar een grote hit van maakte als de Atari Portfolio. Diverse programma’s op ROM cartridges (want, Atari) waren beschikbaar, maar met een beetje moeite kon je duizenden DOS programma’s draaien, zolang die maar netjes BIOS-compatible waren geprogrammeerd.

Sony’s Viao P-series (2009)

De in 2009 door Sony geïntroduceerde Viao P-series zijn kleine draagbare computers die veel ontwerpelementen van de Sony PlayStation Portable hebben overgenomen. Uitgerust met een Intel Atom Intel Atom Z520 en met 2 GB werkgeheugen zijn het geen krachtpatsers. Het 8″ breedbeeldscherm van 1600×768 pixels kan niet opboksen tegen een huidige generatie smartphone. Maar de uitstraling van deze Sony minicomputers, die Windows Vista vanaf de fabriek meekregen en volgeplempt waren met Sony rommelware, valt niet te miskennen.

De Intel Atom Z520 is een single-core, dual thread microprocessor die draait op 1,33 GHz. Alle extra’s is van de processor weggehaald en wat overblijft is een efficiënte, maar niet al te snelle, energiezuinige bouwsteen die door Sony is gebruikt om een ventilatorloze computer te maken die meer punten voor uitstraling dan voor performance zal krijgen. Maar om de Viao P een slome computer te noemen gaat dan ook weer te ver: uitgerust met een snelle SSD doen normale kantoorapplicaties onder Windows 7 of 10 het prima en het kleine scherm heeft een voldoende hoge resolutie om scherpe beelden te tonen. Met ingebouwde wifi en bluetooth zit het wel goed met de connectiviteit.

De kleine computer leent zich uitstekend als Linux portable; Ubuntu Linux versie 9.04 schijnt het goed te doen en ook de Debian-gebaseerde Linux Mint schijnt goede resultaten te geven.

Externe links

Commodore’s PET 2001 (1977)

In 1977 kwam Commodore met de PET 2001 op de markt: een plaatstalen machine met ingebouwde monitor en audiocassettespeler en een minderwaardig rubber toetsenbord. De uitstraling van de machine kwam rechtstreeks uit de science fiction films waar de PET met haar vormgeving en ‘2001’ naar refereerde en er was zoveel vraag naar de computer dat de leveringen maanden op zich lieten wachten.

1977 was een bijzonder jaar in de computergeschiedenis, waarin de drie oorspronkelijke home computers het licht zagen: de Commodore PET-2001, de Apple II en de Radio Shack TRS-80.

Commodore was gespecialiseerd in typemachines en was juist gestopt met de productie van rekenmachines. Oprichter en ondernemer Jack Tramiel had zijn oog laten vallen wat volgens hem een logisch vervolg op de rekenmachines was: kantoorcomputers. Nog voordat de eerste Commodore computer op de markt verscheen had Tramiel MOS Technology overgenomen, om zeker te stellen dat er voldoende voorraad microprocessoren zou zijn. Ook kwam zo chiptovenaar Chuck Peddle in dienst van Commodore. Peddle zette zijn schouders onder het ontwerp en vanaf 1977 was Commodore een computerbedrijf.

De PET 2001, met een enkele MOS Technology 6502 microprocessor die al het werk in de computer moest doen, van ontcijferen van het toetsenbord tot en met het aansturen van het beeldscherm, werd goed ontvangen. Er regenden echter klachten over het toetsenbord en in 1979 kwam Commodore uit met de PET 2001-N, waarbij de ‘N’ stond voor ‘new’. De ingebouwde cassettespeler was vervallen om ruimte te maken voor een numeriek deel van het toetsenbord en de PET had nu de tekst ‘professional computer’ op de voorzijde. Aan de binnenkant was de techniek geüpgraded om gebruik te kunnen maken van floppy drives en hard drives, die in grote uitbreidingsdozen in de buurt van de computer gestald moesten worden.

Commodore PET 2001-N ‘professional computer’ met floppy drives

Apple II (1977)

De Apple II was één van de drie oorspronkelijke ‘home computers’ die in 1977 op de markt verscheen, naast de Radio Shack TRS-80 en de Commodore PET. Door de invloed van kwaliteitsbewuste Steve Jobs en technisch brein Steve Wozniak had de Apple II een paar strepen voor op de TRS-80 die de Apple II helpen om op de bureau’s van iedere boekhouder, universitair student en vermogende particulier te landen.

De Apple II had intern een MOS Technology 6502, een 8-bits microprocessor die ook de Commodore PET zou aandrijven. De hardware van de Apple II was een slimme mix van technische oplossingen en opties voor toekomstige uitbreidingen, wat de computer een lange adem gaf in de concurrentiestrijd die na 1977 zou losbarsten. In de loop van 1979 kwam het programma VisiCalc voor de Apple II op de markt. VisiCalc was het eerste programma dat een elektronische spreadsheet op een computer mogelijk maakte. Het programma was een directe hit op de Apple II en de verkopen van de Apple II gingen hand-in-hand met het succes dat het programma VisiCalc bij kleine en middelgrote ondernemingen zou hebben.

Apple’s PowerBook 100 (1991)

De Apple PowerBook 100 was een door Sony samen met de design afdeling van Apple ontwikkelde en geproduceerde laptop die in 1991 op de markt werd gebracht. Het voor die tijd compacte model, fraaie formgeving, ingebouwde trackball en lange accuduur maakte het model vanaf de start mateloos populair. De PowerBook 100 had geen ingebouwd diskettestation maar had de mogelijkheid voor een optioneel bij de kopen extern diskettestation. Als de computer uitstond, werd de inhoud van het RAM geheugen op een slimme manier bewaard. Op die manier was het aan- en uitschakelen snel en raakten gegevens niet kwijt.

Amstrad’s PCW8256 (aka Schneider Joyce) (1985)

Ondanks het grote aanbod home computers in die tijd kreeg Amstrad het voor elkaar om een alles-in-een computer voor een bodemprijs in de markt te zetten die door grote hoeveelheden voorheen niet-computer-bezitters werd gekocht. De Amstrad PCW serie computers (in de rest van Europa op de markt gebracht door het Duitse Schneider als de ‘Joyce’) werd als een computer speciaal voor tekstverwerking verkocht en kwam dan ook standaard met een goede kwaliteit dot-matrix printer. De prijs van een PCW systeem was lager dan een kwart van de prijs van de goedkoopste IBM-compatibele computer in die tijd en dat had tot gevolg dat de Amstrad PCW8256 en Schneider Joyce in korte tijd uiterst populaire werden.

Uiterlijk leek de PCW8256 op een zakelijke, volledige computerset. Maar dan eentje die voor de bodemprijs van nog geen 400 pond in de winkels stond. En voor dat bedrag kreeg je een tekstverwerker met een goed leesbaar groen beeldscherm met 90 tekens op een regel, een printer, een CP/M besturingssysteem en 256KB RAM geheugen. Hiernaast kon er, met het 3 inch schijfsysteem, van verschillende leveranciers software worden gebruikt. Zo waren er de alternatieve tekstverwerkingsprogramma’s SuperWriter en WordStar die de functie van het ingebouwde LocoScript overnamen; spreadsheetprogramma’s zoals SuperCalc en Microsoft’s Multiplan; databaseprogramma’s zoals CardBox en dBase II. Ook spelletjes, in eerste instantie de CP/M gebaseerde tekstadventures maar later ook grafische spellen, vonden hun weg naar de PCW8256.

Commodore’s VIC-20 (1981)

De Commodore VIC-20 was één van de eerste home computers, voorzien van een MOS 6502 microprocessor. De computer moest worden aangesloten op een monitor of televisie. In 1982 was de VIC-20 met meer dan 750.000 verkochte exemplaren de bestverkopende computer van het jaar. Toen Commodore in 1982 met de verbeterde Commodore 64 op de markt kwam, was het al vrij snel afgelopen met de VIC-20. De VIC-20 werd tot eind 1984 geproduceerd.

De VIC-20 was een reactie op de komst van de Apple II computer, die in 1979 met het programma VisiCalc een groot publiek begon te bereiken. Commodore-baas Jack Tramiel wilde een goedkopere computer met dezelfde aantrekkingskracht als de Apple II in de markt zetten. In 1981 kwam de eerste versie van de VIC-20 op de markt. In de bijna vier jaar dat de VIC-20 op de markt was zouden er verschillende verbeteringen worden aangebracht.

In termen van beschikbare software was de VIC-20 goed bedeeld. Commodore had zelfs adventureschrijver Scott Adams ingehuurd, die verschillende tekstgebaseerde adventures schreef en die door Commodore in 16KB ROM cartridges werden verkocht. Het eerste spel genereerde al meer dan een miljoen dollar omzet.

 

Commodore VIC-20 spelcartridge van Scott Adams getiteld ‘Adventureland’

Apple Macintosh (1984)

De eerste Apple Macintosh, Macintosh 128K, uit 1984 werd geleverd met een grafische gebruikersinterface (Mac OS), een muis en een toetsenbord zonder numeriek deel. De hoge kwaliteit zwart-wit monitor en de overige computeronderdelen waren in één zorgvuldig ontworpen behuizing ondergebracht, hetgeen de Macintosh zijn karakterestieke uiterlijk gaf. De eerste Macintosh werkte met een processor uit de 68000-serie van Motorola, en het besturingssysteem – System genaamd – werd zo veel mogelijk in RAM geladen. Aanpassingen aan het systeem konden worden uitgevoerd door regelpanelen aan te roepen waarop bepaalde functies konden worden ingesteld, de Control panels.

De Macintosh werd op 22 januari 1984 ingeluid met een één minuut durende reclamespot tijdens de Amerikaanse Superbowl. Ongeveer de helft van de bevolking van de Verenigde Staten keek hiernaar. Twee dagen later werd de computer officieel geïntroduceerd door Apple-oprichter Steve Jobs. De prijs van de eerste Mac lag tussen de 1995 en 2495 dollar.

Epson Geneva PX8 (1984)

Een minicomputer in een handzaam formaat was mijn eerste gedachte bij het zien van de Epson Geneva PX-8, een Zilog Z80 gebaseerde CP/M laptop met een ingebouwde servogestuurde micro-cassetterecorder, ROM-packs voor WordStar en BASIC en een hardkunststoffen hoes. De PX-8 draaide het CP/M-80 besturingssysteem, wat in 1984 het gevoel gaf wat Linux nu doet: magisch, krachtig, professioneel. De PX-8 had geen ingebouwde harde schijf, maar je kon het werkgeheugen opsplitsen in werkgeheugen en opslaggeheugen. Vanuit het besturingssysteem kon je bestanden kopiëren van en naar de micro-cassettes. Ook konden bestanden vanuit WordStar en BASIC direct op het cassettegeheugen worden geschreven. Zelfs indexed sequential access werkte vanuit BASIC.

De PX-8 had een LCD met 8 regels bij 80 tekens. De hoek van het scherm kon worden veranderd en de PX-8 had uitklapbare kunststof pootjes en het toetsenbord was gemonteerd op een metalen bodemplaat, zodat het wegtikken van grote hoeveelheden tekst op de PX-8 een plezierige klus was.

Externe links

Atari’s ST (1985)

De Atari ST was een belangrijke homecomputer, gebaseerd op de Motorola 68000 microprocessor, met minimaal 512 kilobyte RAM-geheugen en een 3½-inch-diskettestation als opslagmedium. De ST leek op de latere Commodore Amiga 500, die ook gebaseerd was op de Motorola 68000. De ST was de eerste home-computer met een kleuren grafische gebruikersinterface. Er zijn veel overeenkomsten tussen de Atari ST-lijn en de Commodore Amiga-lijn. Dit heeft alles te maken met de complexe wisselwerking tussen Atari en Commodore in de periode waarin zowel Atari als Commodore op zoek waren naar de opvolgers voor hun respectievelijke home computers, en het leentjebuur die beide bedrijven met mensen en ideeën speelden.

Tijdens een stage-opdracht ergens begin jaren ’90 heb ik mee mogen werken aan de totstandkoming van de Relaxometer – een meetinstrument ter ondersteuning van de werkzaamheden van de anesthesist op een operatiekamer. De besturing van dit apparaat werd gedaan met een Atari 1040ST, met software die ik in de programmeertaal C schreef.

Externe links

Acorn’s BBC Micro (1982)

De Acorn BBC Micro is een microcomputer met als hart de 6502A-microprocessor. De Engelse fabrikant Acorn Computers Ltd van Chris Curry heeft deze computer speciaal ontwikkeld voor de British Broadcasting Corporation (BBC). De BBC wilde een serie programma’s maken waarin het een en ander gedemonstreerd werd aan de hand van een echte (commercieel verkrijgbare) microcomputer. De wensen en eisenlijst voor deze microcomputer is door de BBC aan verschillende bedrijven gegeven, om zo voor dit doel een microcomputer te laten ontwikkelen. De televisieserie heette The Computer Programme en de eerste aflevering werd op 11 januari 1982 uitgezonden.

De introductie van de BBC Micro viel samen met de televisieserie, waardoor velen de Acorn BBC aanschaften om de serie op televisie te kunnen volgen. De televisieserie had dan ook meer het karakter van een cursus en werd in korte tijd zeer populair.

Externe links

Radio Shack’s TRS-80 Model 1 (1977)

TRS-80 is de benaming van verschillende series van computers uit de late jaren zeventig en vroege jaren tachtig van de toen pas gefuseerde bedrijven Tandy & Radio Shack. De eerste uit de serie was de TRS-80 (later Model 1 genoemd om onderscheid te maken met de andere computers in de TRS-80 serie) die was uitgerust met een Zilog Z80 microprocessor en op 3 augustus 1977 werd geïntroduceerd. In 1977 zagen drie ‘home computers’ het licht: de Radio Shack TRS-80, de Apple II en de Commodore PET. De TRS-80 was de enige computer op dat moment met een Z80 microprocessor, de Apple II en Commodore PET hadden elk de MOS Technology 6502 aan boord.

De Model 1 was een computer in de vorm van een dik toetsenbord dat werd aangesloten op een losse monochrome monitor. De computer beschikte over een BASIC-taal in 4kB ROM en was standaard uitgerust met 4 kB RAM. De TRS-80 Model 1 kon later ook uitgebreid worden met een zogenaamde Expansion Interface, waarmee beschikt kon worden over meer geheugen en een aansluiting voor een parallelle printer. Ook kon men hierdoor de computer verder uitbreiden met diskettestations en een seriele verbinding. Naast BASIC kon men ook programma’s ontwikkelen in zogenaamde assembler of machinetaal.

IBM Portable PC 5155 (1984)

De IBM 5155 ‘portable’ was de tweede PC gebaseerd op een Intel 8088 microprocessor die IBM uitbracht. Alles aan de machine was ontwikkeld om de techniek uit die tijd draagbaar te maken, met een stevige draagbalk, een koffervorm, uitklapbaar toetsenbord en ingebouwde monitor. De 5155 werd in eerste instantie uitgeleverd met twee 5,25″ diskettestations en 64KB werkgeheugen.

Ik kocht deze machine in het eerste jaar van mijn informaticastudie in 1989 uit de surplus van Telec Computers en heb het werkgeheugen (met 18 256kbit RAM-chips en een 74LS158 multiplexer) uitgebreid tot het maximum van 640KB. Een 20MB harde schijf volgde nog diezelfde week. Ik werkte in eerste instantie met Microsoft MS-DOS 3.02 en Turbo Pascal 3. Programmeeropdrachten in Pascal en 8088 assembler werkten uit de kunst op de computer, en verslagen in WordPerfect konden met het luidruchtige toetsenbord snel ingerammeld worden.

Externe link